Artikelen gelezen op internet:
Op de site van hechtingsstoornissen stond het volgende:
Hechting is een wederkerige en diepgaande emotionele en fysieke relatie tussen een kind en zijn ouder. Hechting vereist de fysieke en emotionele beschikbaarheid van zowel kind als ouder.
Hechting is de basis voor alle latere relaties en kan veilig of beschadigd zijn.
Veilige hechting
Met een veilige hechting keert het kind zich naar zijn ouders voor hulp, geborgenheid en verzorging. Alleen al de fysieke nabijheid van een ouder kan een gespannen kind geruststellen. Het kind vindt de gezamenlijke intieme en liefhebbende relatie prettig en reageert hier op.
Het kind ontwikkelt nieuwsgierigheid naar zijn omgeving en ontwikkelt ook het verlangen en de mogelijkheden om deze omgeving te onderzoeken. Door deze onderzoeking ontwikkelt hij een gevoel van competentie en beheersing, terwijl hij weet dat hij kan terugkeren naar de veiligheid die zijn ouders hem kunnen bieden op het moment dat de spanningen even te groot worden.
Een veilig gehecht kind reageert op verlies of verstoring van een significante relatie met woede, acuut verdriet, huilbuien, angst en opstandig gedrag. Het kind kan pogingen tot troost afweren, kan op zoek gaan naar de ‘verloren’ ouder en ervaart een intens verlangen naar diens aanwezigheid. Hij kan teruggetrokken en lethargisch zijn en de intensiteit van deze gedragingen wordt hoger als tijd verstrijkt. Een afgesneden eerste hechting kan voor een veilig gehecht kind betekenen dat het zich daarna angstig hecht aan anderen.
Oorzaken van verstoorde hechting
Een kind kan door bepaalde omstandigheden een trauma oplopen, waardoor een hechtingsbeschadiging ontstaat: een blijvend patroon van angstige en/of vervormde hechtingsgedragingen dat de mogelijkheden van het kind verstoort om bevredigende relaties met anderen aan te gaan. In eerste instantie gaat dat om de relatie met zijn ouders, later breidt dit zich uit tot alle relaties, zowel de vriendschappelijke als de meer intieme.
Verlies
Dood van een ouder, een levensbedreigende ziekte van een ouder of (dreigingen van) zelfmoord.
De uitwerking van verlies hangt sterk af van de kwaliteit van de hechting voor het verlies, de aard van het verlies, de kwaliteit van de plaatsvervangende verzorgers en, indien van toepassing, de aard van de hereniging.
Hereniging
Extra stress door hereniging met een ouder na een langdurige afwezigheid is iets waar veel getraumatiseerde kinderen mee te maken krijgen. Het kan een moeilijk proces zijn en kan het kind zelfs nog verder traumatiseren, ondanks dat het in het belang van het kind kan zijn of dat het de wens van het kind zelf is.
De situatie kan een loyaliteitsconflict oproepen in het kind, omdat het tegenover de overgebleven ouder of huidige verzorger als oneerlijk of ongewenst wordt gevoeld. Het hernieuwde contact met een afwezige ouder kan gevoelens van hulpeloosheid en angst in het kind vergroten door wat het over de ouder heeft gehoord of gefantaseerd in diens afwezigheid of door wat het kind eerder met die ouder heeft meegemaakt. Hereniging kan een reeele bedreiging voor het welzijn van het kind betekenen in het geval die ouder het kind vroeger al mishandeld of sexueel misbruikt heeft
Het niet beschikbaar zijn van de ouders
· Grillige, misbruikende/mishandelende en/of verwaarlozende ouders
· Emotioneel of fysiek niet beschikbare ouders
· Hospitalisatie, uithuisplaatsing of andere regelmatige wisselingen van verzorgers
· Het in de steek gelaten worden door ouders of ander plotseling verlies van contact met ouders
Interne consequenties van een verstoorde hechting
Angst overheerst alles. Het kind is bang dat zijn ouders er niet meer zullen zijn of niet meer op dezelfde manier als hij weggaat. Hoewel hij geen enkele bevrediging vindt in hoe zijn ouders met hem omgaan, biedt het toch een bepaalde zekerheid. Het wegvallen van die zekerheid moet voorkomen worden, dus blijft het kind in de buurt en wordt zijn afhankelijkheid van zijn ouders nog sterker bevestigd.
Hij kan niet zijn omgeving onderzoeken op zijn eigen manier en spel is vluchtig en zonder plezier. Het kind kan geen onderzoeksdrang en -mogelijkheden ontwikkelen, waardoor hij geen gevoel van competentie en beheersing krijgt. Nu houdt niet alleen zijn angst voor onzekerheid hem binnen, maar ook het feit dat hij niet wil en niet kan spelen.
Dit alles zorgt ervoor dat het kind zichzelf niet op een gezonde manier kan beschouwen. Zijn gevoelens over zichzelf hangen af van de mate van zekerheid die hij op het moment voelt, maar die hij zichzelf niet kan bieden en dus constant afhangt van impulsen van buitenaf, zonder dat het kind het gevoel heeft dat hij daar invloed op kan uitoefenen.
Het kind kan bij verlies van (een van) zijn ouders uiterlijk reageren met “wat kan mij het schelen”, maar zal in ieder geval zijn angstige gedrag verhevigen, waardoor zijn gedrag nog klamperiger, zeurderiger en veeleisender wordt. Hij zal verzorgende aandacht opslokken maar zich slechts minimaal tevreden- of gerustgesteld voelen.
Externe consequenties
Deze angst voor onzekerheid bepaalt ook het gedrag van het kind naar andere mensen. Omdat hij geen veiligheid en geborgenheid kan vinden bij mensen, zoekt het kind meer bevrediging in materiele zaken dan in menselijke contacten.
Hij kan ondertussen sociaal zeer vaardig zijn, maar is alleen oppervlakkig gezien responsief in relaties. Gevoelens die hij laat zien, lijken oppervlakkig en niet echt uit zichzelf komend. Hierdoor leveren toenaderingspogingen van zijn kant over het algemeen weinig respons op.
Latere pogingen van anderen om het kind toch te benaderen, bieden hem geen geborgenheid of troost meer en het kind is niet langer in staat dit op waarde te schatten. Mensen krijgen sterk de neiging om hem af te wijzen omdat er niets teruggegeven wordt na een emotionele investering. Omgaan met een kind dat niets teruggeeft is emotioneel heel zwaar, maar men zou eigenlijk door zijn vijandige en/of apathische reacties heen moeten kijken omdat hij vaak minachtend of afwijzend reageert als hij zich onzeker en kwetsbaar voelt. En op het moment dat er geen bevestiging wordt geboden, wordt zijn negatieve gevoel dat niemand van hem houdt bevestigd.
Gedragspatronen
Een kind dat niet in staat was om zich veilig te hechten aan zijn ouders in zijn vroege jeugd, ontwikkelt manieren om zich door zijn jeugd heen te helpen. Deze manieren blijken echter schadelijk te zijn als het kind dit model aanneemt voor al zijn significante relaties.
Bij kinderen met een hechtingsstoornis zijn een aantal clusters van hechtingsbeschadigde gedragingen te zien. Deze zijn als volgt benoemd:
· klamperig-eisend
· rebellie
· parentificatie
· superster
· meegaande robot
· onverschillig-koel
Dit zijn beschermende stijlen van interactie die het kind heeft ontwikkeld om zelf tegemoet te kunnen komen aan hechtingsbehoeften zoals veiligheid, geborgenheid, intimiteit en verzorging. Deze gedragspatronen kunnen los van elkaar of in combinaties voorkomen, in meer of mindere mate. Ze zijn allen gebaseerd op de alom aanwezige angst om opnieuw gekwetst en afgewezen te worden.
Klamperig-eisend
Het kind klampt zich vast aan zijn ouders. Zijn eisen om aandacht roepen echter juist het gedrag van de ouders op waar hij bang voor is, iets wat op zijn beurt weer het klamperige gedrag verhevigt. Vermoeidheid, ziekte en andere stressfactoren verhevigen eveneens dit gedrag, dat manipulatief kan overkomen. Sussen helpt niet, omdat zijn basale angsten niet worden weggenomen.
Rebellie
Het kind is boos, gefrustreerd en kwetsbaar. Hij doet erg stoer en heeft een grote mond, maar zijn geheime boodschap is “ik heb je nodig”. Hij heeft liefhebbende relaties nodig maar wantrouwt deze ook. Terwijl hij nabijheid wil, wijst hij pogingen van anderen daartoe af of interpreteert deze verkeerd. Het kind leeft continu in een toestand van onverlichte spanning en zorg.
Terwijl het duidelijk is wat hij nodig heeft, neemt hij koestering niet op. Dit is een “bodemloze-put”kind: hoe hard ook geprobeerd wordt om hem te vullen, hij blijft leeg.
Parentificatie
Het geparentificeerde kind gelooft dat zijn ouder kwetsbaar is en bescherming nodig heeft en wendt zich dus niet naar die ouder als hij zijn behoeften vervuld wil zien. Liever gedraagt hij zich als zijn eigen ouder. Hij zal zich vaak opofferen om de ouder gevoelens van pijn te besparen, omdat hij gelooft dat deze op de een of andere manier zijn ouder zullen vernietigen waardoor hij alleen achter zal blijven. Een geparentificeerd kind voelt zich over het algemeen verantwoordelijk voor het welzijn van zijn ouder en geeft zichzelf er de schuld van als de ouder ongelukkig is, geen succes heeft of op andere manieren problemen heeft.
Deze dynamiek is vaak aangetoond bij kinderen van ouders die verslaafd zijn alsook bij gezinnen waarin sexueel misbruik plaatsvond. Het ontwikkelt zich als de ouder emotioneel afhankelijk is, zijn omgeving als vijandig beschouwt, significante personen uit zijn leven heeft verloren en zich vervolgens naar het kind wendt om in zijn emotionele behoeften te voorzien. Het kind zal zo goed als hij kan deze behoeften proberen te vervullen, zodat de relatie die voor hem overleving betekent in stand kan worden gehouden.
Het geparentificeerde kind is er ontzettend kundig in om behoeften van volwassenen te vervullen en zijn eigen angsten en ontbering te verbergen. Hij groeit uit tot een dwangmatige verzorger die eindeloos blijft geven en die stilzwijgend steeds bozer wordt omdat zijn eigen behoeften niet erkend of vervuld worden. Hij gelooft dat hij veel geeft en zal genieten van het beetje wederkerige aandacht dat hij krijgt zonder erom te hebben hoeven vragen, omdat hij geleerd heeft om blij te zijn met elke kruimel en niet om meer te vragen. Om persoonlijke aandacht vragen draagt het niet te verdragen risico in zich om afgewezen te worden.
Superster
De superster kan zeer succesvol zijn in zijn prestaties, als vervanging van wederkerige intieme relaties. Hij identificeert zichzelf met de rol van superster, wat hem in staat stelt om controle te houden en nabijheid met andere mensen te vermijden. Afhankelijkheid is voor hem hetzelfde als verlies van controle. Hij concentreert zich vaak op gebieden waarbij zelfstandigheid de norm is. Hij heeft weinig tolerantie voor tegenslagen, fouten of prestaties die minder dan perfect zijn. Hij is geneigd tot overwerken zodat er geen tijd overblijft voor relaties. Zijn gedrag is geconcentreerd en gefixeerd en kan gedreven en dwangmatig worden als hij door zijn omgeving gespannen raakt
Meegaande robot
Het kind geeft het op om zich tot volwassenen te wenden om aan zijn behoeften te voldoen. Hij accepteert geen vervanging en wendt zich tot niemand anders. Scheiding van verzorgers roept weinig of geen reactie op en verzorgers lijken onderling makkelijk verwisselbaar te zijn. De gelaatsuitdrukking van dit kind is immobiel, niet-flexibel en verandert zelden.
Omdat hij meegaand, beleefd en aantrekkelijk is, de regels volgt en geen moeilijkheden veroorzaakt, wordt dit kind over het hoofd gezien en verwaarloosd. Het kind wordt niet aardig gevonden. Hij is niet geinteresseerd in interactie met anderen of in emotioneel contact. Hoeveel hem ook gegeven wordt, hij geeft niets terug. Dit meegaande, niet-betrokken kind lijkt ongeinteresseerd en non-empathisch ten opzichte van anderen.
Onverschillig koel
Het kind stelt zich egocentrisch op en zoekt het meer in bezittingen dan in relaties. Zijn overmatige drang tot onafhankelijkheid voorkomt dat hij om hulp moet vragen of deze accepteert. Zijn afkeer van gevoel komt voort uit pijnlijke en vergeefse pogingen om hechting aan te gaan met ouders die hem afwezen.
Hij is vaak omgeven door mensen en materiele zaken en gedraagt zich op een dermate zelfverzekerde manier dat de leegheid van zijn emotionele banden verborgen blijft.
Herstellen van een verstoorde hechting
Het herstellen van een beschadigde hechting is mogelijk, maar kan een ijzig proces zijn. Hoe oprecht en intens ook, liefde alleen is niet genoeg om goed te maken wat het kind in zijn vroege kindsjaren heeft geleerd, namelijk dat hij er niet op kan vertrouwen dat anderen zijn behoeften zullen vervullen.
Als de situatie zich dan eindelijk lijkt te verbeteren tot het punt dat het kind meer plezier in de relatie krijgt, dan zullen tegelijkertijd gevoelens van kwetsbaarheid en verlies van grenzen mee naar boven komen, zodat het kind een hechtingscrisis zal meemaken waardoor het hele proces vernietigd wordt. Het kind gelooft dat hij de positieve gevoelens die samengaan met een wederzijdse hechting niet verdient en dat het slechts een kwestie van tijd zal zijn alvorens hij er teleurgesteld in zal worden of wederom in de steek gelaten zal worden. Zijn negatieve gedrag is bedoeld om een crisis voor te zijn en de spanning te breken.
Dit is een vertaling (van Engels naar Nederlands), samenvatting en herziening (= aanpassing aan mijn eigen ideeen) van hoofdstuk 12 van het boek ‘Treating traumatised children’, by Beverly James.
Deze tekst is terug te vinden op pagina : http://www.hechtingsstoornissen.com/
In een bundel verhalen van het Antwerps Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg Mensana worden kenmerken genoemd van kinderen die weinig steun en zorg van hun ouders hebben gekregen (men noemt dit ook wel emotioneel verwaarloosd).
Een belgische onderzoeker, S. Bogaerts, ziet dergelijke kenmerken ook bij adoptiekinderen waar het mis is gegaan; de term bodemloosheid of onveilig gehecht wordt ook gebruikt.
kenmerkende gedragingen zijn:
1. slecht oogcontact
2. passief afwachtend zijn, zonder initiatief
3. onzekerheid en overaangepastheid
4. een overmatige idealisering van de (adoptie)ouder
5. onzekerheid en quasi-zelfstandigheid (net doen alsof je geen zorg nodig hebt)
6. snel wisselende, oppervlakkige contacten aangaan
7. hyperactiviteit en concentratiestoornis
8. “moeilijk” gedrag (provocatie uitlokken)
9. wantrouwig zijn
10. zich steeds tekort gedaan voelen
11. verdraagt het slecht als het niet meteen zijn zin krijgt]
12. zich dommer voordoen dan het geval is
13. “slecht” gezelschap kiezen
14. seksueel gedrag dat niet past bij de ontwikkelingsfase
15. niet van fouten leren